Diabetes type 1

Bij diabetes type 1 maakt de alvleesklier helemaal geen insuline meer aan. Er is dan een voortdurend gebrek aan dit hormoon. Hierdoor nemen uw cellen onvoldoende glucose (suiker) op waardoor u te veel glucose in uw bloed krijgt. Raakt de bloedglucosegehalte boven de 10 mmol/liter, dan voert uw lichaam het overschot samen met grote hoeveelheden water via de nieren af naar de urineblaas. Daardoor heeft u veel dorst en moet u vaak plassen. Andere klachten die veel voorkomen zijn een droge mond, vermoeidheid en concentratiestoornissen. Wanneer u diabetes heeft, komt u op het spreekuur bij de internist en diabetesverpleegkundige.

Behandeling diabetes type 1

Het doel van de behandeling is om het glucosegehalte in het bloed te herstellen. Hierdoor voorkomt u complicaties op lange termijn. Omdat het lichaam zelf (bijna) geen of onvoldoende insuline meer kan maken, moeten mensen met diabetes type 1 zichzelf insuline toedienen. Dit moet vaak meerdere keren per dag. Insuline wordt onder de huid ingespoten van waaruit het in het bloed wordt opgenomen. Insuline kunt u op twee manieren toedienen, via een pen of een pompje. U bespreekt met uw internist of de diabetesverpleegkundige welke methode voor u het beste werkt.

De behandeling zorgt voor een goed evenwicht tussen de koolhydraten die u eet, en de insuline die u nodig heeft. Met een glucosemeter kunt u meten hoeveel glucose er in uw bloed zit. Afhankelijk van uw situatie is het verstandig om een aantal keer per dag het bloedglucosegehalte te meten. Dit overlegt u met uw internist en diabetesverpleegkundige.

Om franciscus.nl goed te laten functioneren maken we gebruik van cookies. Bekijk ons cookiebeleid